13 februari 2020

Moet bij stichtingen en verenigingen voor de vennootschapsbelasting het winstplafond van € 75.000 (art. 6 wet VPB) naar rato worden toegerekend als geen sprake is van vier voorafgaande boekjaren? Deze rechtsvraag stond centraal in de door ons namens een beroepsvereniging gevoerde belastingprocedure bij Rechtbank Gelderland (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:4520). De rechtbank deelde onze mening dat sprake is van een absoluut winstplafond en stelde de beroepsvereniging op grond daarvan in het gelijk.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2020:467) kwam tot een ander oordeel op grond van een strikte grammaticale uitleg van de wettekst. Naar onze mening valt op de uitspraak van het Hof veel af te dingen. Wij voelen ons daarbij gesteund in ons standpunt door de verschillende commentaren vanuit de vakliteratuur op de uitspraken van het Hof.

Het antwoord is nu aan de Hoge Raad: namens de beroepsvereniging wordt door ons in cassatie getreden tegen de uitspraak. Er ligt voor stichtingen en verenigingen met geringe winsten namelijk een voor de praktijk belangrijke rechtsvraag voor: heeft de wetgever bedoeld een onderscheid te maken tussen stichtingen/verenigingen met al dan niet vier voorafgaande boekjaren?

Hebt u naar aanleiding van deze belastingprocedure nog vragen of twijfelt u over de VPB-positie van uw stichting of vereniging? Bel of mail gerust met mr. A.A. (Arjan) van der Bok RB MB MFP.