17 februari 2020

Gerechtshof Amsterdam oordeelde op 29 mei 2018 (nr. 17/00346) dat een lid respectievelijk voorzitter van een bezwaaradviescommissie is aan te merken als btw-ondernemer. Naar mening van het Hof is sprake van deelname aan het economisch verkeer en treedt de persoon in zelfstandigheid op. Advocaat-Generaal  Ettema adviseert de Hoge Raad echter anders te oordelen.

De feiten:

Belanghebbende is werkzaam als lid respectievelijk voorzitter van een aantal bezwaaradviescommissies, waaronder bezwaaradviescommissies inzake personele aangelegenheden bij een ministerie. Dit zijn bezwaaradviescommissies als bedoeld in art. 7:13 van de Algemene Wet Bestuursrecht. Belanghebbende wordt als lid of voorzitter van een bezwaaradviescommissie benoemd voor een periode van vier jaar. Voor deze werkzaamheden brengt belanghebbende vergoedingen (vacatiegelden) in rekening.

Belanghebbende is tegen de uitspraak van het Hof in cassatie gegaan bij de Hoge Raad.

Conclusie en advies advocaat-generaal (A-G) Ettema:

In cassatie bij de Hoge Raad is de A-G van mening dat wel sprake is van deelname aan het economisch verkeer maar dat geen sprake is van zelfstandigheid in de zin van de Btw-richtlijn. De A-G is van mening dat de benoeming van belanghebbende geen verhouding van ondergeschiktheid met zich mee brengt met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden. Belanghebbende is niet gebonden aan instructies van het desbetreffende ministerie en zal zich zelfstandig en onafhankelijk een mening moeten vormen over het geschil waarover de commissie advies moet uitbrengen. Met betrekking tot de bezoldigingsvoorwaarden verkeert belanghebbende evenmin in een verhouding van ondergeschiktheid. Het hof heeft volgens de A-G terecht geoordeeld dat belanghebbende de werkzaamheden verricht voor eigen economisch risico. Dat de beloning bij wet- en regelgeving wordt vastgesteld, maakt dit niet anders. Tenslotte is belanghebbende niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het desbetreffende ministerie.

De A-G geeft de Hoge Raad in overweging de uitspraak van het Hof te vernietigen, het beroep gegrond te verklaren en teruggaaf te verlenen van het bedrag dat op aangifte is voldaan.

Commentaar

Het laatste woord is aan de Hoge Raad maar wij achten de kans groot dat de Hoge Raad het advies van de A-G volgt.

Eerder al werd in de situatie van een commissaris door het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat de commissaris in genoemde zaak (IO, C-420/18) geen btw-ondernemer was omdat de benodigde zelfstandigheid ontbrak. Het is aannemelijk dat in veel gevallen de toezichthouder bij een stichting of vereniging geen btw-ondernemer is. Bij twijfel is het raadzaam hierover nader advies in te winnen.

Stichtingen en verenigingen die beschikken over een Raad van Toezicht dan wel andere commissies en waarbij de leden van deze commissies btw in rekening te brengen, dienen alert te zijn op de mogelijkheid btw te besparen.

Heeft u naar aanleiding hiervan nog vragen of behoefte aan advies? Neem dan rechtstreeks  contact op met btw-adviseur Arjan van der Bok via 0343-415940 of avdbok@vanreevandriel.nl.

Van Ree & Van Driel btw-specialisten – 20 januari 2020