Per 1 januari 2023 ging het Ministerie van OCW over van bekostiging op basis van schooljaren naar kalenderjaarbekostiging. Daardoor ontstond er een overgangsperiode van 1 augustus tot en met 31 december 2022. Het ministerie hanteerde tot en met schooljaar 2021-2022 een bepaald betaalritme, waarbij de eerste 5 maanden van het schooljaar 7,12% van de jaarbekostiging minder ontvangen werd en dat werd dan de laatste 7 maanden van het schooljaar ingehaald. De scholen namen voor dit verschil per 31 december van het jaar een vordering op de balans op. Door de overgang van schooljaarbekostiging naar kalenderjaarbekostiging verviel deze vordering.
In de visie van de schoolbesturen had het ministerie daarom over de periode 1 augustus 2022 tot en met 31 december 2022 een evenredig deel van de jaarbekostiging = 41,67% moeten vergoeden. Dit heeft het ministerie niet gedaan; zij vergoedde over deze periode slechts 34,55%. Daarom hebben toen 222 schoolbesturen bezwaar gemaakt tegen de bekostiging over de periode augustus 2022 tot en met december 2022 en zijn tegen het besluit van het Ministerie in beroep gegaan bij de rechtbank.
De rechtbank had in een eerder stadium de 222 schoolbesturen al in het gelijk gesteld en bepaald dat het minister alsnog het verschil van 7,12% aan de 222 schoolbesturen moest vergoeden. De staatssecretaris van OCW is tegen die uitspraak in beroep gegaan bij de Raad van State. Nu is op 25 maart 2026 het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond verklaard, is de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd en zijn de schoolbesturen in het gelijk gesteld.
Hieronder leest u het citaat van de Raad van State:
‘Het bekostigingspercentage van 34,55% over de overgangsperiode augustus-december 2022 is onvoldoende. De schoolbesturen kwamen daarmee 7,12% aan bekostiging tekort ten opzichte van een tijdsevenredige bekostiging over de periode augustus tot en met december 2022. Dit tekort is niet gecompenseerd of ingelopen. De bepalingen uit de Overgangsregeling, op grond waarvan de bekostiging in de overgangsperiode augustus-december 2022 slechts 34,55% bedraagt, zijn dan ook in strijd met artikel 69, eerste lid, in samenhang met 120, zevende lid, van de WPO (oud) en artikel 70, eerste lid, in samenhang met 117, dertiende lid, van de WEC (oud). De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat artikelen 2, zesde lid, 4, tweede lid, 10, zesde lid, 11, tweede lid, 12, tweede lid, 15, zesde lid, 16, tweede lid, 17, tweede lid, 25, tweede lid, en 27, tweede lid, van de Overgangsregeling onverbindend zijn.’
Op de vraag wat de consequenties zijn voor de jaarrekening 2025 komen wij terug zodra hierover meer duidelijkheid bestaat.
Een kinderopvangorganisatie heeft mogelijk te maken met vennootschapsbelasting. Heeft u dit risico al gesignaleerd? U denkt misschien wel: ‘maar wij hebben geen winstdoel en zijn niet commercieel’. Helaas is dat
Op 30 september 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een belangrijke uitspraak besloten dat pensioenfondsen btw moeten heffen over de pensioenpremies die zij innen van werkgevers. Wat betekent dit? Werkgevers
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 22 januari 2026 een belangrijke uitspraak gedaan over de koepelvrijstelling in de btw. Hef Hof oordeelt dat belastingdiensten deze koepelvrijstelling