30 januari 2020

Er leven veel vragen over de wijze waarop aanvullende rijksbijdragen die in het najaar van 2019 zijn toegekend moeten worden verwerkt in de jaarrekening. Deze vragen hebben betrekking op de verwerking van de middelen die op grond van de ‘Regeling bijzondere en aanvullende bekostiging PO/VO’ van oktober 2019 en de ‘Wijziging regeling financiën hoger onderwijs’ van november 2019 zijn toegekend.

De Werkgroep Onderwijs van de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJO) heeft deze vragen in haar vergadering van vrijdag 24 januari 2019 besproken. De conclusie van de werkgroep is dat voor de verantwoording van genoemde middelen geldt dat, aangezien het (aanvullende) rijksbijdragen betreft, zij volledig als bate moeten worden verantwoord in het jaar waarop de toekenning betrekking heeft (derhalve het deel toegekend voor 2019 in 2019, het deel toegekend voor 2020 in 2020, etc.). In een notitie van het ministerie van OCW geeft het ministerie een uitgebreide toelichting op de verwerking van de aanvullende rijksbijdragen in de jaarrekening en van de effecten van de afgesloten c.q. nog af te sluiten CAO’s waarvoor deze extra middels (deels) bestemd waren.

De verwerking in de jaarrekening kan als volgt worden samengevat:

  1. De ingevolge de Regeling bijzondere aanvullende bekostiging PO/VO en arbeidsvoorwaardelijke middelen 2019, toegekende aanvullende rijksbijdragen die via de personele bekostiging 2018/2019 en 2019/2020’ van november 2019, zijn uitgekeerd, dienen in de jaarrekening 2019 als baten verantwoord te worden. Deze baten mogen derhalve niet via een overlopende post doorgeschoven worden naar 2020. Dit geldt zowel voor het PO als het VO.

NB: Het gegeven dat DUO in het PO de middelen in de bekostigingsinfo heeft toegerekend aan het schooljaar 2019/2020 speelt hierbij geen rol, omdat in de regeling staat dat de gelden voor het kalenderjaar 2019 toegekend zijn.

  1. De besteding van deze extra middelen voor 2020 dient in het kalenderjaar 2020 verantwoord te worden. Er mag derhalve in de jaarrekening 2019 geen schuld opgenomen worden ten aanzien van de voor het jaar 2020 toegekende bedragen. Het feit dat in 2019 in het primair onderwijs overeenstemming is bereikt over een nieuwe CAO is hiervoor niet van belang.
  2. Op de hierboven onder 2 vermelde verwerkingswijze geldt één uitzondering: Voor zover instellingen vooruitlopend op de aangekondigde extra middelen al extra salarissen hebben uitbetaald over 2019 (d.w.z. deze extra salarissen worden nog verwerkt in de salarisadministratie/jaaroverzichten van de werknemers van 2019), zal wel een verplichting in de jaarrekening moeten worden opgenomen, ook al vindt uitbetaling plaats in 2020 (bijvoorbeeld via een zogenaamde 13e run).
  3. De middelen toegekend op grond van de ‘Wijziging regeling financiën hoger onderwijs’ van november 2019 worden verantwoord in het jaar waarop de toekenning betrekking heeft. Derhalve het deel toegekend voor 2019 in 2019 en het deel toegekend voor 2020 in 2020 etc.

Voor een nadere toelichting op bovenstaande verwerkingswijze en de onderliggende motivatie verwijzen wij naar de notitie van het ministerie.

Het ministerie wijst nog op de mogelijkheden om in de jaarrekening aan te geven dat voor de ontvangen extra middelen reeds een bestemming is. Dit kan door via de resultaatbestemming de extra rijksbijdrage toe te voegen aan een bestemmingsreserve of te verwerken via een bestemmingsfonds (dit is mogelijk als aan de hiervoor geldende voorwaarden wordt voldaan) als onderdeel van het eigen vermogen. Naar onze mening zal niet snel aan de voorwaarden voor verwerken via een bestemmingsfonds voldaan worden, zodat het afzonderen van deze middelen in het eigen vermogen via een bestemmingsreserve de meest reële optie is. Wij merken hierbij nog op dat als u voor deze mogelijkheid kiest dit geen invloed heeft op het resultaat (de extra middelen vallen in beide gevallen in het resultaat 2019) en het totaal eigen vermogen.

Bron: www.rijksoverheid.nl

Meer nieuwsitems