11 februari 2021

Om ons heen zien we steeds meer onderwijsinstellingen die een nauwe samenwerking aangaan met een kinderopvang. De gezamenlijke organisatie presenteert zich dan als een integraal kindcentrum (IKC) waar kinderen van 0 tot 13 jaar zich langs één doorgaande ontwikkellijn opgroeien. In 2019 profileerde al bijna een kwart van de scholen met kinderopvang zich als een IKC. Dit is een stijging van tien procent ten opzichte van 2016, zo blijkt uit een onderzoek van Oberon. Uit een peiling van de PO-Raad bleek dat circa tachtig procent van de schoolbesturen plannen heeft om een IKC te starten.

Samenwerking

Het doel van een samenwerking tussen een onderwijsinstelling en een kinderopvang bestaat uit twee delen. Enerzijds wordt door de samenwerking een doorgaande leerlijn gerealiseerd. Anderzijds zorgt een betere samenwerking voor het verminderen van personeelstekorten en een lagere werkdruk.

Wet- en regelgeving

Schoolbesturen geven echter aan dat de wet- en regelgeving in de weg staat om een nauwe samenwerking met een kinderopvang aan te gaan en zodoende een IKC te vormen. Uit de peiling van de PO-Raad blijkt dat 47% van de schoolbesturen (nog) niet voor een IKC kiest vanwege de beperkingen van de huidige wet- en regelgeving. 71% geeft zelfs aan het onmogelijk te vinden om een samenwerking aan te gaan.

Drie aandachtspunten

Bij samenwerking tussen onderwijs en kinderopvang komt dus heel wat kijken. Wij informeren u graag in de vorm van een drieluik. Daarom publiceren wij achtereenvolgens drie artikelen over de belangrijkste aandachtspunten. De artikelen behandelen

  1. samenwerkingsvormen
  2. organisatorische aandachtspunten
  3. fiscale aandachtspunten

Heeft u vragen? Neem gerust contact met ons op via info@vanreeaccountants.nl of bel
0343-415940

Deel 3 Fiscale aandachtspunten

Bij het vormen van een IKC zijn er aangaande de fiscaliteit mogelijk ook punten die uw aandacht vragen. In de praktijk komen de ‘fiscale haken en ogen’ vooral naar voren wanneer onderling personeel uitgewisseld wordt en/of gezamenlijke kosten worden doorbelast. In dit derde deel gaan wij nader in op deze fiscale aandachtspunten.

Omzetbelasting

In de situatie van een samenwerkingsvorm waarbij de afzonderlijke rechtspersonen blijven bestaan is er op voorhand een aandachtspunt voor de omzetbelasting. Immers, het ter beschikking stellen van personeel is in beginsel een belaste activiteit. Dat geldt ook voor het doorbelasten van kosten.

Btw-heffing kan aan de voorkant voorkomen worden door de vorming van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting of het opstellen van een ‘overeenkomst kosten voor gemene rekening’. Voor het aangaan van een fiscale eenheid zullen beide rechtspersonen financieel, economisch en organisatorisch zodanig verweven moeten zijn dat zij een eenheid vormen.

In organisatorisch opzicht betekent dit bijvoorbeeld dat beide rechtspersonen onder een gezamenlijke, als een eenheid functionerende leiding staan. Bij een partiële personele unie is daar waarschijnlijk op voorhand al geen sprake van. Ook bij een fusie is per definitie geen sprake meer van onderlinge uitruil van personeel en doorbelasting van kosten.

Daarnaast moet ook aandacht worden geschonken aan de vereisten die gesteld worden aan de financiële verwevenheid van de organisaties. Gelet op de strikte voorwaarden voor de vorming van een fiscale eenheid vraagt dit een zorgvuldige voorbereiding. Hierbij speelt de inhoud van de statuten van de betrokken instellingen een belangrijke rol.

Niet alleen voor de fiscale eenheid, ook voor het toepassen van een overeenkomst van kosten voor gemene rekening gelden strikte voorwaarden. Een belangrijke voorwaarde, maar niet de enige, is om een goede verdeelsleutel op te stellen. Hier moet aan de voorzijde goed over nagedacht worden omdat deze verdeelsleutel, zodra deze in de overeenkomst is vastgelegd, in beginsel niet meer gewijzigd kan worden. De verdeelsleutel moet dus gedurende een lange periode toepasbaar zijn. Een belangrijk gevolg van een overeenkomst voor gemene rekening is wel dat alle partijen die betrokken zijn hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de belastingschulden.

Vennootschapsbelasting

Het verzorgen van onderwijs is onder voorwaarden vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Voor kinderopvang is een dergelijke vrijstelling niet geregeld. Onder voorwaarden kan wel een subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen worden toegepast. Dit is het geval wanneer de fiscale winst in een jaar niet meer bedraagt dan € 15.000 dan wel tezamen met de voorafgaande vier jaar niet meer bedraagt dan € 75.000.

Als daar niet aan voldaan wordt, kan afhankelijk van de omvang van de kinderopvangactiviteiten ter besparing van VPB een fusie fiscaal zelfs aantrekkelijk zijn. Dit is het geval wanneer de onderwijsactiviteiten van de organisatie meer dan 90% blijven uitmaken van de totale activiteiten en de onderwijsactiviteiten voor 70% of meer gefinancierd worden met publieke middelen. Er kan dan voor het geheel van de activiteiten (dus inclusief de kinderopvang) gebruik gemaakt worden van de onderwijsvrijstelling in de vennootschapsbelasting. Alsdan kan een positief resultaat op de kinderopvangactiviteiten buiten de heffing van VPB blijven.

Ons aanbod

We kunnen dus stellen dat vermijding van de btw-druk in veel gevallen mogelijk is, mits dit aan de voorzijde goed wordt ingericht. In beperktere mate geldt dit voor de vennootschapsbelasting waar dit vooral afhankelijk is van de samenwerkingsvorm. Doordat wij door de jaren heen ruime ervaring hebben opgedaan in beide sectoren, kunnen wij u op maat begeleiding en advisering aanbieden.

Uw vragen zijn welkom! info@vanreeaccountants.nl of 0343-415940

Meer nieuwsitems