10 november 2021

Elke instelling in het PO heeft als gevolg van het verschil in betaalritme gedurende het schooljaar een vordering op OCW op de balans staan. Deze vordering ontstaat doordat de maandelijkse betalingen van de personele lumpsum in de eerste 5 maanden van het schooljaar lager zijn dan 1/12 van het jaarbedrag. Dit wordt in de laatste 7 maanden van het schooljaar gecompenseerd doordat in die maanden meer dan 1/12 deel wordt uitbetaald.

Als gevolg van de vereenvoudiging bekostiging PO wordt de bekostiging voor personele lumpsum vanaf 1 januari 2023 omgezet van een schooljaarbekostiging naar kalenderjaarbekostiging. Dit betekent ook dat het inhaaleffect in de eerste 7 maanden van 2023 niet zal plaatsvinden omdat de bekostigingsgrondslag in die periode is veranderd. Als gevolg hiervan zal de vordering die normaal gesproken op 31 december 2022 op de balans zou staan, niet inbaar is. Er is op die datum daarom geen grond meer om de vordering op te nemen. De vordering zal dus in 2022 afgebouwd moeten worden naar nihil.

Wij krijgen regelmatig de vraag of de vordering niet al eerder afgebouwd kan worden, bijvoorbeeld al in de jaarrekening 2021. Vaak wordt daarbij aangegeven dat er in dat jaar ook de financiële ruimte is om het afbouwen van de vordering op te kunnen vangen. Wij zijn van mening dat het afboeken van de vordering op 31 december 2021 niet is toegestaan. De grondslag voor de vordering op 31 december 2021 is namelijk de bekostiging voor schooljaar 2021-2022. Deze bekostiging wordt toegekend volgens de bestaande systematiek waardoor de vordering dus ook gedurende de eerste 7 maanden van 2022 wordt ontvangen. In de jaarrekening 2021 is er dus geen grond om de vordering niet op te nemen.

Meer nieuwsitems