22 juli 2020

In Nederland kennen wij een belastingfaciliteit met de naam “herinvesteringsreserve”. Stel: u verkoopt uw bedrijfspand. Dit pand heeft op uw balans een waarde van € 1.000.000.  Wanneer u het pand verkoopt voor € 1.200.000 dan realiseert u een winst van € 200.000. Over deze winst moet u normaal gesproken belasting (inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting) betalen. Door echter deze € 200.000 toe te voegen aan een zogenaamde herinvesteringsreserve stelt u belastingheffing over deze winst uit. In dit artikel gaan wij met name in op het begrip “bedrijfsmiddel” bij de toepassing van een herinvesteringsreserve.

Alleen voor bedrijfsmiddelen

Om een herinvesteringsreserve te vormen gelden er enkele voorwaarden. Hierbij is één van de voorwaarden dat er een “bedrijfsmiddel” wordt “vervreemd” (bijvoorbeeld verkoop). Het begrip bedrijfsmiddelen is bij de fiscale winstbepaling belangrijk.

Het belang van het begrip “bedrijfsmiddel” is meerdere keren in de jurisprudentie aan de orde gekomen. Zo ook opnieuw in een recente uitspraak van Hof Amsterdam. In deze rechtszaak stelde de belastingplichtige dat er een bedrijfsmiddel was verkocht. Om deze reden zou volgens de belastingplichtige een herinvesteringsreserve gevormd mogen worden. De inspecteur stelde echter dat er voorraad was verkocht en dat om die reden er geen herinvesteringsreserve gevormd mocht worden. Het hof gaf de inspecteur gelijk.

Verschil tussen bedrijfsmiddelen en voorraden

Een essentieel verschil tussen bedrijfsmiddelen en voorraden is dat bedrijfsmiddelen bij een productieproces meerdere keren betrokken worden, dit is bij voorraden niet het geval. Voorraad wordt namelijk in essentie maar éénmaal gebruikt binnen het productieproces.

Uit de jurisprudentie blijkt dat bij grensgevallen (1) de overheersende bedoeling van de belastingplichtige, (2) de feiten van het geval en (3) de bijbehorende omstandigheden bepalend zijn op de vraag of er sprake is van een bedrijfsmiddel dan wel van voorraad.

Gebouwen ook voorraad?

Ook gebouwen kunnen handelsvoorraad zijn. Dit is afhankelijk van hun bestemming. Aan de hand van een voorbeeld kan dit het beste geïllustreerd worden. Er is sprake van bedrijfsmiddelen wanneer een huizenexploitatiemaatschappij de tot haar beschikbare huizen verhuurt. Daarentegen is er sprake van voorraad in geval een huizenhandelaar huizen koopt met het doel om ze weer te verkopen.

Uitspraak Hof Amsterdam

In het arrest van Hof Amsterdam was sprake van een vastgoedvennootschap. Deze vennootschap had diverse panden in eigendom. Die panden verhuurde de vennootschap en verkocht ze na enige tijd door. Op de vraag of er sprake is van een bedrijfsmiddel kan dan niet gemakkelijk antwoord worden gegeven. Er is dus sprake van een grensgeval. Uit deze uitspraak kunnen de volgende drie gevolgen worden getrokken:

  1. Omstandigheden na de aankoop van vastgoed kunnen licht werpen op de intentie waarmee het vastgoed is aangekocht;
  2. Niet de inspecteur maar de belastingplichtige moet kunnen aantonen dat aangekocht vastgoed niet als voorraad wordt bestemd.
  3. De belastingplichtige moet per pand de feiten en omstandigheden aannemelijk maken waaruit volgt dat het pand ten tijde van de aankoop al als bedrijfsmiddel moet worden aangemerkt.

Uit de jurisprudentie weten wij ook dat een bedrijfsmiddel kan veranderen in voorraad. Deze verandering heeft direct invloed op de vraag of u al dan niet een herinvesteringsreserve kunt vormen. Het is daarom van groot belang dat u met vraagstukken omtrent vastgoed en herinvesteringsreserve  u laat adviseren door een deskundige. Neem gerust contact op met onze belastingadviseurs.