Onderwijsinstellingen opereren doorgaans in de vorm van een vereniging of een stichting. Een enkele keer komt ook een besloten vennootschap of een andere rechtsvorm voor. In tegenstelling tot een besloten vennootschap zijn stichtingen en verenigingen uitsluitend belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting indien en voor zover zij een onderneming drijven (partiële belastingplicht). Van het drijven van een onderneming is sprake indien:

  • er sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid;
  • die deelneemt aan het economisch verkeer; en
  • waarbij sprake is van een winststreven. Volgens vaste jurisprudentie wordt een winststreven ook aanwezig geacht als meerdere jaren achter elkaar overschotten worden gerealiseerd.

Strikt formeel kon dit betekenen dat onderwijsinstellingen naar de letter van de wet ook belastingplichtig waren voor de vennootschapsbelasting. Echter, gesubsidieerde instellingen konden een beroep doen op een specifiek beleidsbesluit dat regelde dat overschotten die ontstonden door subsidies niet werden aangemerkt als een winststreven en derhalve niet werd voldaan aan het ondernemingsbegrip. Dit was de reden dat de meeste onderwijsinstellingen in de praktijk niet met de heffing van vennootschapsbelasting werden geconfronteerd. Het betreffende subsidiebesluit voor de vennootschapsbelasting bestaat nog steeds. Echter, door de invoering van een specifieke onderwijsvrijstelling in de Wet op de vennootschapsbelasting is dit besluit voor de praktijk veel minder relevant geworden.

Vennootschapsbelastingplicht kan een rol gaan spelen als onderwijsinstellingen naast hun kernactiviteit ook andersoortige activiteiten gaan ontwikkelen. In dat geval moet normaliter worden getoetst of deze activiteiten zijn aan te merken als het drijven van een onderneming. Met het drijven van een onderneming wordt overigens gelijkgesteld het in concurrentie treden met marktpartijen die voor soortgelijke activiteiten vennootschapsbelasting moeten afdragen.

Voor onderwijsinstellingen met nevenactiviteiten die als ondernemingsactiviteiten zijn aan te merken, geldt echter een ruime onderwijsvrijstelling. Hierna is de werking van deze vrijstelling verder uitgewerkt. Indien en zover een onderwijsinstelling van deze onderwijsvrijstelling geen gebruik kan maken, zullen de opbrengsten uit de nevenactiviteiten in beginsel onderworpen zijn aan de heffing van vennootschapsbelasting. Het is echter van belang op te merken dat afhankelijk van de hoogte van deze winsten de onderwijsinstelling mogelijk nog een beroep kan doen op een vrijstelling voor stichtingen en verenigingen waarbij winsten tot € 15.000 per jaar en winsten tot € 75.000 over het betreffende jaar en de vier daaraan voorafgaande jaren worden vrijgesteld.

Indien binnen uw onderwijsinstelling naast onderwijsactiviteiten sprake is van opbrengst genererende nevenactiviteiten, is het raadzaam in beeld te brengen of de gewijzigde wetgeving gevolgen heeft voor de vennootschapsbelastingpositie van uw onderwijsinstelling. Dit geeft in bepaalde situaties mogelijkheden tot het verder optimaliseren van de structuur. Van Ree Accountants is u hierbij graag van dienst.